Steeds vaker, na een incident, dwingen publiek en politiek de overheid tot het nemen van overhaaste maatregelen. Ze zijn zelden effectief. Een werkgroep bekijkt hoe de overheid met incidenten kan omgaan. En of de verantwoordelijkheid voor risico’s überhaupt wel bij die overheid ligt.
Zorgen
voor een veilige samenleving is een kerntaak van de overheid. Maar tot hoever
reikt die opdracht? Op die vraag bestaat geen eenduidig antwoord. Welke risico’s
de overheid wel en niet moet afdekken is nergens vastgelegd. ‘Het wordt tijd dat
we daarover een brede discussie voeren’, zeggen Jan van Tol en Gabriella Bekman
van het project ‘Toezicht voor de toekomst: risico’s en verantwoordelijkheden’,
dat een fundamenteel debat op gang wil brengen over het afdekken van risico’s.
Van Tol, werkzaam bij het Programma Vernieuwing Rijksdienst, leidt het project.
Bekman, directeur van de Nationale Ombudsman, is voorzitter van de
begeleidingscommissie.
Na een ernstig ongeluk klinkt steeds vaker de roep om elk mogelijk
risico uit te sluiten. Wat betekent dat voor de overheid?
Van Tol: ‘Die wordt opgezadeld met een steeds groter wordende last,
want het aantal risico’s neemt alleen maar toe en, omdat we in een welvarend
land leven waar weinig enge dingen gebeuren, neemt de acceptatiegraad van de
burger voor die risico’s steeds verder af. Die druk op ingrijpen wordt vaak
versterkt door de media, die op zoek gaan naar emotie en schuldigen en niét de
primaire vraag stellen: wat is er gebeurd, wat is de situatie nu en moeten we
die structureel aanpassen?’
Bekman: ‘Mijn zorg is dat de burger buiten beschouwing wordt gelaten. Je ziet vaak dat bestuurders in een kramp schieten en heel erg voor de bühne maatregelen nemen, terwijl aan het daadwerkelijke probleem nauwelijks iets wordt gedaan. Dat wordt zeker niet vanuit de burger opgepakt. De tijd wordt niet genomen om te analyseren wat er werkelijk aan de hand is. We leven in een maatschappij waarin incidentenpolitiek en hypes de boventoon voeren. De media laten zich daar door meeslepen, maar bestuurders net zo goed. Ik ben ook erg voor wat burgemeester Jorritsma van Almere heeft gezegd, namelijk dat je na een incident altijd een half jaar zou moeten wachten voordat je nieuwe regelgeving invoert.’
Overhaaste maatregelen leiden vaak tot spijt?
Van Tol: ‘De spijt ontstaat bij mensen en bedrijven die die regelgeving
moeten ondergaan en merken dat het weinig effectief is. Het komt zelden voor dat
erop terug wordt gekomen. Zo’n snelle maatregel evalueren en de vraag stellen:
is dit bij nader inzien de beste aanpak en zo nee, hoe pakken we het dan wel
aan, dat gebeurt bijna nooit. Een aantal jaren geleden zijn er wat botsingen
geweest tussen zweefvliegtuigen en straaljagers; dat loopt natuurlijk altijd
slecht af voor de zweefvlieger. Toen zijn heel strenge maatregelen genomen,
waardoor zweefvliegers nu bijna niets meer mogen.
‘Je ziet dat als er wat misgaat het niet meer acceptabel wordt gevonden om een risico te laten voortbestaan. Na de strandrellen in Hoek van Holland kondigt de gemeente Rotterdam direct een verbod van twee jaar af voor openbare feesten. Uitstekend dat aan de veiligheid van de burger wordt gedacht, maar je kunt je afvragen of dat niet wat ver gaat. Als het strooizout op is, worden doodleuk wegen afgesloten, terwijl je misschien wel winterbanden of sneeuwkettingen hebt. Nee hoor, dat mag niet, want er is een risico. Steeds vaker doet de overheid alsof zij degene is die de risico’s voor het publiek moet afwenden, terwijl dat toch overwegend bestaat uit volwassen mensen die ook zélf kunnen kiezen. Daarmee wil ik maar zeggen dat je een aantal risico’s niet eens kán overnemen als overheid. Dat geeft misplaatste interventies en verwarring.’
In Engeland doet de overheid onder het motto ‘No to a nanny state’
juist een stapje terug.
Van Tol: ‘Daar voeren ze deze discussie al een aantal jaren. Binnenkort
ga ik naar Londen om te horen waar zij tegenaan zijn gelopen en welke tips zij
hebben voor ons. In mei zal de Britse onderzoeksleider ook spreken op de Dag van
het Risico, onze eerste grote conferentie.’
Leg de risico’s bij diegenen die ze het best beheersen, zeggen de
Britten.
Bekman: ‘Jawel, maar ook hier is mijn zorg de burger. Bij de Nationale
Ombudsman klagen veel mensen dat de overheid niet thuis geeft, als ze die
aanspreken op risico’s. Gaat er iets mis in het ziekenhuis, dan krijgen ze bij
die instelling nul op het rekest. De inspectie zegt vervolgens: wij zijn er niet
voor individuele klachten. Ik vind dat er altijd een plek moet zijn waar zij
signalen kunnen afgeven en waar zij kunnen horen wie verantwoordelijk is, ook
als ze dat zelf zijn. Dat is beter dan van het kastje naar de muur te worden
verwezen.’
Van Tol: ‘Je merkt dat er erg verkokerd naar risico’s wordt gekeken. Daar heb je last van als er een incident is, want dan ontbreekt een totaalblik. En wat je dan ziet, is dat sommige veiligheidsrisico’s buitenboord vallen. Het is bijvoorbeeld al een poosje bekend dat het aantal vermijdbare dodelijke ongevallen in ziekenhuizen ruim zeventienhonderd bedraagt. Ik vind het zó opmerkelijk dat de politiek en de media daar niets mee doen, en wel hun aandacht richten op risico’s waar slechts een paar mensen per jaar aan overlijden. Bizar, want je kunt je inzet maar één keer toewijzen. Dat wil je toch doen op een manier waar de samenleving het meest bij gebaat is.’
Wat betekent het voor de rijksinspectie als burgers meer eigen
verantwoordelijkheid zouden nemen?
Bekman: ‘Een andere werkwijze. Je krijgt ook een andere discussie. Nu
gaan we er in Nederland vanuit dat alles door de overheid gereglementeerd is. In
Thailand kijken we uit waar we eten, maar hier stappen we overal blind binnen
omdat de Voedsel en Waren Autoriteit het kaf wel van het koren zal hebben
gescheiden.’
De VWA heeft toch ook het apparaat om het risico op bedorven voedsel
af te dekken?
Van Tol: ‘Die controle kan natuurlijk nooit waterdicht zijn. De capaciteit van
elke inspectiedienst is begrensd.’
Bekman: ‘Bovendien zitten ze in een spagaat. Aan de ene kant vraagt de politiek van inspecties dat ze minder toezicht- en administratieve last veroorzaken, waardoor ze veel meer vanachter het bureau controleren. Maar als er dan iets gebeurt, roept diezelfde politiek om meer invallen. Dat klopt natuurlijk niet. Tweede Kamerleden hebben wat dat betreft echt boter op hun hoofd. Als je in je fractie wordt afgerekend op het aantal keren dat je gezicht op televisie is geweest, dan hef je dat ook niet zomaar op. Dat hoort zeker ook thuis in de discussie die we gaan voeren.’
Hoe staan we er over vijf jaar voor, als die discussie is
uitgekristalliseerd?
Bekman: ‘Dan hoop ik dat de reflexen anders zullen zijn. Minder
incidentenpolitiek en overhaaste maatregelen voor de bühne.’
Van Tol: ‘Misschien durven we dan ook meer over de schuttingen heen te kijken. We hebben natuurlijk een verkaveld systeem binnen de overheid, dat niet kijkt naar het totaalbeeld maar geïsoleerd bepaalt hoe groot risico’s zijn en in hoeverre daarop actie nodig is. Een meer samenhangende benadering zou veel beter zijn.’
Zou de overheid niet anders moeten communiceren over risico’s?
Van Tol: ‘Ik vind dat het nu erg voorzichtig gebeurt. Of dat is uit
angst om paniek te veroorzaken of vrees voor reputatieschade, kan ik niet goed
beoordelen. Met dit project hopen we daar wat dichterbij te komen.’
Bekman: ‘We staan nog maar aan het begin van het project. We baseren ons tot nog toe hoofdzakelijk op aannames en meningen. Dit project is er ook voor om de analyse te maken. Want die nuance wil ik wel aanbrengen: het is ook een hype om te zeggen dat iets een hype is. Daar zullen we dus zeker ook naar kijken.’

