Apeldoorn heeft al jaren een eigen managementadviesbureau. Zo ontwikkelt de gemeente de kennis binnenshuis. En het is een kweekvijver voor jonge ambtenaren als Michiel Bruins. ‘Ik word soms een paar uur eerder wakker van mijn werk.’
Wat
schiet Apeldoorn op met een eigen managementadviesbureau?
‘Dat er beter gemanaged wordt. Het bureau levert mensen die de
organisatie al van haver tot gort kennen en dus vanaf dag 1 productief zijn.
Mensen die niet sec naar een opdracht kijken, maar verbanden zien met andere
projecten en processen. Mensen die aanspreekbaar blijven als een project eenmaal
op poten is gezet en beschikbaar zijn voor nawerk en bestendiging van
doelstellingen. We hebben natuurlijk maar een beperkt aantal klanten. Je moet
het altijd goed doen. Je kunt het in elk geval nooit verbruien en denken “ach,
volgende keer beter, klanten zat”.’
Dat wil natuurlijk iedere overheid, lijkt mij.
‘Tot mijn verbazing werken nog maar weinig overheden met dit concept.
Bij mijn weten alleen het ministerie van VROM en Rotterdam. Het werkt trouwens
ook nog op een andere manier: je houdt talent in huis.’
Dat moet je even uitleggen.
‘Een overstap naar het managementbureau geldt als een bevordering, als
een blijk van waardering. De gemeente Apeldoorn wil ambtenaren met
managementtalent proberen te behouden door ze perspectieven te bieden. Overheden
klagen er vaak over dat talentvolle mensen na een jaar of vier hun ervaring in
het bedrijfsleven te gelde gaan maken. Dat kun je voorkomen door ze zwaardere
functies te bieden, zoals Apeldoorn dat doet met het managementbureau. Maak de
functies interessanter: dat is volgens mij de belangrijkste prikkel om goeie
mensen te houden. Uitstroom is overigens nooit helemaal te voorkomen, hoor. Daar
maak ik me geen illusies over.’
‘Maar ik vind dat Apeldoorn veel investeert in behoud van talent. En de
ontwikkeling ervan. We hebben hier bijvoorbeeld de Apeldoorn Academie. Dat is
een soort kweekvijver, waarin ambtenaren elkaar helpen groeien. Je geeft
eigenlijk les aan de hand van je eigen ervaringen aan je collega’s. Dat is echt
heel leuk, maar vergt ook wel wat diplomatie.’
Bedoel je didactiek?
‘Nee, ik bedoel echt diplomatie. De praktijk waaraan in die
academiesessies wordt gerefereerd, is heel lokaal gedefinieerd: een schat aan
dankbare voorbeelden, voor iedereen herkenbaar. Maar daar moet je wel
voorzichtig mee omgaan, als je aan de hand van die praktijk kennis probeert over
te dragen. Hoewel we hier werken met veertienhonderd ambtenaren, is het een
kleine wereld, waarin informatie al gauw herleidbaar is tot personen. Zo’n
college moet natuurlijk niet uitdraaien op een verhaal over persoonlijke zaken.’
Ook lekker goedkoop voor gemeente? Of blijft Apeldoorn externe adviseurs in huis
halen?
‘Nee, nee, we zijn minder afhankelijk van externe inhuur. Inderdaad,
het is goedkoper. Het managementbureau maakt immers geen winst. Alleen als het
erg specialistisch wordt kunnen we niet altijd de expertise leveren. Ik denk dat
de constructie voor veel gemeenten (en bedrijven) interessant is. Voorwaarde is
wel dat je voldoende volume moet hebben om een team te voeden met het juiste
werk.’
Voldoende volume? Noem eens wat.
‘Ik zou zeggen dat een gemeente meer dan zeventigduizend inwoners moet
hebben om het effectief te laten functioneren. Je moet een bureau van enige
omvang kunnen hebben. Met maar een paar mensen wordt het te kwetsbaar en kan je
ook niet omgaan met wijzigingen in de werkvoorraad.’
Hoe groot is eigenlijk de speelruimte van het managementbureau. Kan je op eigen
kompas varen. Of is de politiek allesbepalend en is het veel meer ‘u vraagt wij
draaien’.
‘Dat is ten dele zo natuurlijk, maar het hangt ook af van tot op welk
niveau wethouders zich willen bemoeien met het ambtelijke werk. De
wispelturigheid van de politiek kan soms erg frustrerend werken. Het is
kennelijk inherent aan politiek dat er bij de dag geleefd wordt. Wat ’s ochtends
in de krant staat, bepaalt waarover het vragenuurtje ’s middags zal gaan. Er
lekt best veel energie door weg. Maar de burger heeft niet veel andere wegen om
van zich te laten horen dan de krant en het is zo nu en dan ook goed dat de boel
hier wordt opgeschud door de media. Ik zit nu wel erg ambtenarentaal uit te
slaan, hè?’
Dat mag hoor, in dit blad.
‘Hoe het ook zij, een project of voornemen strandt nooit “zomaar” in
een politieke omgeving. In een groot deel van vastlopende projecten gaat het mis
op het proces of de presentatie in plaats van op de inhoud.’
En jouw managementbureau moet dat helpen voorkomen.
‘Als het even kan ja. Wij zorgen voor continuïteit.’
Je bent nog vrij jong. Heb je nooit de indruk dat collega’s denken:
wat komt die snotneus hier doen?
‘Je zult altijd en overal mensen tegenkomen die “in je allergie
zitten”. Dat is goed, want die maken je meer bewust van je eigen gedrag en
blinde vlekken. Moet je natuurlijk wel een beetje zelfreflectief zijn.’
‘Er zullen mensen zijn die mijn generatie oppervlakkigheid, gebrek aan
grondigheid en een te vlotte veranderingsdrang verwijten. En daar zal heus wel
wat in zitten. Ik heb er geen problemen mee. En laten we wel wezen: als we
allemaal zo veranderingsminded zouden zijn, zou het een rusteloze boel worden.’
Is er nog iets in Apeldoorn wat voor andere gemeenten interessant kan
zijn?
‘De gemeente probeert ambtenaren ervan te doordringen dat ze alles doen
uit naam van Apeldoorn. Onder het motto “Apeldoorn heeft antwoord” is er een
nieuwe bedrijfscultuur gevestigd. Als een burger jou met een vraag belt, dan ben
jij ook degene die hem terugbelt, ook al ligt de vraag niet op jouw terrein. Je
mag je dus nooit verschuilen achter een ander, nooit doorverwijzen. De
klanttevredenheid in Apeldoorn zit ergens tussen 7,5 en de 8-.’
Nog tips voor beginnende ambtelijke managers?
‘Verlies je niet meteen in de inhoud. Je wilt natuurlijk het liefst
dossiers beheersen, ze helemaal uitspitten. Maar lang zelf broeden op iets is
verraderlijk: vaak kom je met idee, wat naar je gevoel briljant in elkaar zit,
te laat naar buiten. Er wordt natuurlijk op geschoten, want zo briljant kan het
niet zijn. Mijn advies: ga er al in een vroeg stadium de boer mee op en vraag
zoveel mogelijk mensen om advies. Er is zoveel kennis die je niet zelf hoeft op
te bouwen. Een goed plan hoeft echt maar heel klein te zijn: een plan met een
duidelijke focus. Het eerste wat je eigenlijk moet doen is stilstaan. Stilstaan
om je af te vragen “Wat is hier nou echt belangrijk, waarop moet ik sturen?”
Zijpaden zijn nu eenmaal heel verleidelijk. Als je op alles probeert te sturen,
stuur je uiteindelijk op niets. En het is ook nog eens niet vol te houden. Het
is ook niet interessant voor je partners. Partners komen pas in beweging, als ze
de ruimte krijgen. Die moet je als manager dus geven.’
Met ‘partners’ bedoel je de ambtenaren die je aanstuurt?
‘Nee, ik bedoel partners buiten de gemeente. De gemeente is nog wel van
nature de partij die initiatieven neemt voor de publieke zaak, maar de
uitvoering ligt meer dan vroeger bij “derden”: schoolbesturen, corporaties,
bedrijven, welzijnsinstellingen etcetera.’
Je begeeft je dus vaak buiten het stadhuis. Hoe groot is de kans dat
Michiel Bruins uit zijn jasje groeit en daarom overstapt naar het bedrijfsleven?
‘Hmmmm… Als het werk me niet meer prikkelt, is die kans er zeker. Het
aardige van werken bij de overheid ligt in de omgang met die eeuwige
belangenconflicten en die vreselijk diverse doelstellingen. Dat steeds weer
afwegen en beslissen dat bevalt me goed. Dat vind je niet zo gauw in het
bedrijfsleven. Ik lig niet wakker van mijn werk, maar soms word ik er wel een
paar uur eerder wakker van. Wakker van een “doegevoel”, zeg maar. Dat vind ik
een goed teken.’

