‘Er was geen licht, geen telefoon, geen verwarming. Overal was lawaai van explosies en inslagen. Toch voelde ik me best veilig.’ Johanne van Dijk (34) werkte vijf jaar lang voor de Verenigde Naties in de Gazastrook.
‘Ik
lust wel een stuk Dudok-appeltaart. Heerlijk Nederlands. Jij ook?’ Johanne van
Dijk (34) en ik zitten in Grand Café Bazar in Amsterdam. Op de appeltaart – en
natuurlijk het druilerige decemberweer – na, ademt alles een Oosterse sfeer.
Betegelde muren in oranje en blauw, kleden op de vloer, kleurige lampen en de
geur van munt en koriander. ‘Ik heb al zoveel falafel gegeten’, zegt Johanne.
Ze is net twee maanden terug uit de Gazastrook, waar ze vier jaar lang werkte voor UNRWA, de United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees, een speciale tak van de Verenigde Naties voor Palestijnse vluchtelingen. In de Gazastrook, een gebied van 360 vierkante kilometer, wonen op dit moment zo’n anderhalf miljoen mensen van wie er bijna een miljoen bij UNRWA als vluchteling zijn geregistreerd. Ook nakomelingen van vluchtelingen uit 1948 en 1967 tellen in die berekeningen mee. In 1948 viel het Egyptische leger de Gazastrook binnen en ontketende daarmee de Arabisch-Israëlische oorlog. Tot 1948 viel de Gazastrook onder Brits mandaat. Egypte annexeerde Gaza niet, maar behandelde het als bezet gebied. In 1967, tijdens de zesdaagse oorlog, veroverde Israël de Gazastrook op Egypte. Ook Israël annexeerde de Gazastrook niet. In 2005 trok Israël militair personeel terug uit Gaza, maar hield controle op de landsgrenzen, de lucht en de zee. De Palestijnse Autoriteit kreeg de macht, maar moest die in 2007 afstaan aan Hamas.
Johanne van Dijk is de afgelopen vijf jaar vaker in Nederland geweest, maar nu is ze hier om te blijven, zegt ze. ‘In ieder geval voor een paar maanden.’ Vandaag heeft ze naar een appartement gezocht in Amsterdam. Tot ze dat gevonden heeft, logeert ze bij haar moeder, haar broers en vrienden. Als ze vertelt over haar werk in de Gazastrook, spreekt ze steeds in de tegenwoordige tijd. Alsof ze er nog is.
Je bent net terug uit Gaza, ben je al weer klaar voor vertrek…?
‘Ik ben vijf jaar in Gaza geweest. Dat is lang. Het was de meest
verrijkende periode van mijn leven, maar ook heel intensief. Ik wil even afstand
nemen van Gaza. En ik wil graag tijd nemen voor mijn familie en vrienden hier.
Eigenlijk woon ik al tien jaar niet meer in Nederland. Voordat ik naar het
Midden-Oosten ging, zat ik in Bosnië en Kroatië. Ik heb veel belangrijke
momenten gemist uit het leven van dierbaren hier.’
‘Het is fijn om hier te zijn. Ik wil ook tijd nemen om me even op wat anders te richten. Om me bezig te houden met creatieve dingen, fotografie en schrijven. Geen boek hoor, dat doet iedereen al, maar ik wil voor mezelf dingen opschrijven.’
Je was in Gaza Operations Support Officer. Wat deed je daar?
‘Ik deed veldonderzoek naar onderwijs en rapporteerde elke week
schriftelijk aan de staf van UNRWA. De organisatie zorgt voor alle elementaire
zaken voor vluchtelingen in de Gazastrook: onderwijs, gezondheidszorg, werk en
primaire behoeften als water en voedsel. UNRWA heeft meer dan 220 basisscholen
in Gaza waar zo’n 200.000 kinderen tussen de zes en vijftien jaar les krijgen.
Er zijn achttien gezondheidsklinieken waar primaire zorg wordt gegeven. UNRWA
heeft acht vluchtelingenkampen in Gaza. Er zijn 750.000 mensen die regelmatig
voedselhulp van ons ontvangen. De Palestijnse Autoriteit verzorgt overigens het
voortgezet onderwijs en de universitaire opleidingen. En ook nog ruim
driehonderd basisscholen.’
‘Elke dag ging ik op bezoek bij een of twee scholen. Dat gaat op de Arabische manier. Met veel thee en koffie en dan kletsen en praten over hoe het gaat. Dat kost tijd, maar dat is ook goed. Je moet investeren in relaties met docenten, directies en leerlingen. Een band opbouwen.’
Met wat voor problemen kampen scholen?
‘Op veel scholen is een enorm ruimtegebrek. Er moeten nieuwe scholen
worden gebouwd, maar de grenzen zitten dicht en er komen geen bouwmaterialen b
innen. Bijna alle schoolgebouwen hebben daarom dubbel-shifts: tot twaalf uur zit
de ene school in het gebouw en om half een komt er een nieuwe ploeg, met eigen
docenten, eigen leerlingen en een eigen directeur.’
‘Een ander probleem is dat de kwaliteit van het onderwijs tijdens de bezetting erg achteruit is gegaan. Kinderen en docenten konden de school vaak niet bereiken of kwamen niet langs de checkpoints. Leraren konden niet naar de lerarenopleiding in Ramallah en missen dus een deel van hun opleiding. Ze hebben trouwens nog steeds geen toestemming om daar heen te gaan. UNRWA wil een opleiding starten in Gaza, maar er zijn geen materialen om een school te bouwen.
Uit mijn veldonderzoek bleek ook dat veel kinderen met een lege maag op school zitten. Er is thuis geen geld voor eten. We zijn met een feeding-programma begonnen: alle kinderen krijgen eten op school. Geen vijf-sterren-maaltijd, gewoon fruit of een broodje falafel.’
‘En de klassen op school zijn vaak te groot. Er zitten veertig tot vijfenveertig leerlingen in een klas. Dat komt de kwaliteit van het onderwijs niet ten goede. We zijn op zoek gegaan naar meer docenten, die wel moesten voldoen aan de UNRWA-eisen. Er bleken meer vrouwen door de test te komen dan mannen. We hebben toen een baanbrekende oplossing verzonnen: vrouwen les laten geven aan jongensklassen. Er was wel wat weerstand. Maar we hebben mensen voor de keuze gesteld:Wil je een intelligente, vrouwelijke of een, minder goede, mannelijke docent ?’
‘Dan is er ook nog het probleem van de special-needs-kinderen, zoals wij ze noemen. Dat zijn kinderen die bijvoorbeeld getraumatiseerd zijn. Zij hebben broertjes voor hun ogen zien sterven. Of zij zijn hun huis kwijt. Ook voor hen zijn we bezig met een programma.’
Kon jij je vrij bewegen in Gaza?
‘Toen ik in 2005 in Gaza kwam, kon ik nog zelf door de stad rijden. Dat
vond ik heerlijk. Maar sindsdien zijn de veiligheidsmaatregelen aangescherpt,
vooral naar aanleiding van een aantal ontvoeringen, ook van UNRWA-personeel. In
het gebied is nu veiligheidsfase 4 van kracht. Fase 5 is volledige evacuatie. Ik
werd elke ochtend, samen met collega’s, om kwart over zeven opgehaald door een
gepantserd voertuig met chauffeur en een escorte. De route die we reden naar het
veldkantoor, veranderde dagelijks. Ik kon niet mijn eigen boodschappen doen.
Daar was een meisje voor aangesteld. Voor haar is het fijn dat ze een baan
heeft, maar het voelde natuurlijk niet goed.’
Vorig jaar rond de kerst, toen Israël begon met de bombardementen op
de Gazastrook, was je ook in Nederland. Je bent toen terug gegaan. Waarom?
‘Ik zat hier met een zwaar hart naar de beelden op televisie te kijken.
Ik wilde niet hier zijn, maar bij de mensen met wie ik al zoveel had meegemaakt.
Ik wilde laten zien dat ik er ook ben als het er echt op aankomt. Het voelde
alsof ik de mensen daar in de steek liet, ook al was het toeval dat ik in
Nederland was op het moment dat de aanvallen begonnen.’
Wat trof je daar aan?
‘Ik heb nog nooit zoiets ergs gezien. Overal vluchtende mensen met
witte vlaggen. Volledige ontreddering. Niemand wist waar de volgende bom zou
vallen. Iedereen was in paniek. Het zoontje van mijn collega Abdallah is op de
dag dat de oorlog uitbrak zeven uur zoek geweest. De luchtaanval begon precies
tijdens de shift op school. Alle kinderen waren buiten. Ze zijn in paniek gaan
rennen. Abdallah’s zoontje belandde ergens in het noorden van Gazastad. Een oude
man heeft hem terug naar huis gebracht. Na de oorlog – die tweeëntwintig dagen
duurde – durfde hij niet meer naar school. Als zijn moeder hem wilde brengen,
schreeuwde hij.’
Wat kon jij doen voor de Palestijnen?
‘Mijn kantoor werd ingericht als hulppost. Die was dag en nacht bemand.
Er hing een grote kaart aan de muur waar we elke dag op aangaven hoe de situatie
was, waar Israëlische troepen gestationeerd waren, waar aanvallen plaatsvonden
en waar groepen mensen bij elkaar waren. In vijftig UNRWA-scholen vingen we
mensen op die hun huis uit moesten. Er was geen licht, geen water, geen
verwarming en vaak geen telefoonverbinding. Er heerste verwarring, paniek.
Mensen die hoorden dat er ergens een aanval was geweest, konden niet bellen om
te horen of hun familie nog in leven was.’
‘Ik heb me soms erg machteloos gevoeld. Ik had nog nooit zoiets op deze schaal meegemaakt. Wel de invasies van 2006 en 2007, maar zoals dit…’
Hoe heb je die dagen doorstaan?
‘Je moet je hoofd koel houden. Niemand heeft er iets aan als je in
paniek raakt. Samen met mijn collega’s was ik bezig met het coördineren van de
stroom hulpgoederen. Met het uitdelen van voedsel en dekens. Er was voortdurend
lawaai van explosies en inslagen. Maar ik voelde me redelijk veilig in het
veldkantoor. Ik dacht: “Ze zullen toch geen VN-gebouwen aanvallen?” Wij hebben
alle GPS-coördinaten van de VN-locaties steeds doorgegeven. Ze wisten precies
waar we zaten en waar we mensen opvingen.’
‘Maar er zijn toch locaties van ons aangevallen. Ook ons veldkantoor, met witte-fosforbommen. Toen had ik wel een moment dat ik niet zeker wist of ik er wel uit zou komen.’
Wat is je bijgebleven van die periode ?
‘Het is onvoorstelbaar hoeveel leed er in die tweeëntwintig dagen is
aangedaan. Ik zal je één verhaal vertellen: Een dag voor het staakt het vuren
zijn twee jongetjes omgekomen die met hun familie in een van onze scholen zaten.
Die twee jongetjes waren zo bang geweest voor de bommen, dat ze in hun bed
hadden geplast. Hun moeder zette de matrassen ’s morgens op de gang om ze te
laten luchten. De jongetjes durfden niet alleen te zijn en hingen aan haar
rokken. Toen sloeg er een bom in die de jongetjes op slag doodde. De moeder werd
naar achteren geslagen en belandde bewusteloos en gewond op haar jongste kind
van een jaar. Een nichtje verloor een deel van haar hand en haar been bij de
aanslag. Het oudste zusje van tien jaar heeft alles zien gebeuren. Zij is haar
vader gaan halen, die met de andere mannen beneden zat. Die vader is doof en kan
ook niet praten. Hij heeft de moeder naar de ambulances gedragen. Daar was het
druk. De man kon niet schreeuwen. Het duurde even voor hij werd opgemerkt. Dat
gezin is volledig ontwricht. Vader kan zijn gevoelens niet uiten omdat hij niet
kan praten. Hij geeft de moeder de schuld van de dood van hun kinderen. Hij
geeft zichzelf de schuld dat hij zijn kinderen niet heeft kunnen redden. Moeder
is haar hand kwijt. De dochter kan zich niet concentreren op school. Ze houdt
haar kleine broertje constant in de gaten en ze schrikt van alles.’
‘Dit is het verhaal van één gezin. En zo zijn er zoveel. Wij blijven deze mensen trouwens bezoeken, ook maanden na de aanslagen. We luisteren en kijken wat we voor ze kunnen doen.’
Hoe zie jij de toekomst van Gaza?
‘Ik zou graag willen dat Palestijnen en Israëliërs weer met elkaar
praten. Dat kan nu niet vanwege de blokkade. Er groeien aan beide kanten mensen
op met alleen maar vooroordelen over elkaar.
Het beste zou zijn als er een Palestijnse eenheidsregering zou komen en als de vredesonderhandelingen hervat zouden worden. In sha Allah. Als god het wil, zeggen ze hier.’
En je eigen toekomst?
‘Ik ga wel weer terug naar het Midden-Oosten, denk ik. Mijn hart ligt
daar, vooral bij de kinderen. Maar misschien ga ik dan naar Libanon of Syrië.
Daar zit UNRWA ook. Gelukkig.’

